
We wisten al snel dat ik zwanger was van een drieling. Wat begon als een snelle geruststellingsecho na een zwangerschap van 9 weken (ik had al 2 miskramen gehad), werd een wonderlijke sessie van bijna een uur. We gingen door 10 stemmingen in een halve seconde: perplex, giechelig, bezorgd, opgelucht, vrolijk en uiteindelijk weer terug naar verbijsterd. Ik bleek spontaan zwanger te zijn van een monochoreale, tri-amniotische drieling. “Als je tóch een drieling moet krijgen, is eentje van dat type het minst risicovol,” vertelde de echoscopiste en dat vonden wij wel geruststellend. We konden 3 weken bijkomen van het nieuws voordat we het gyneacologische traject in gingen.
Ik had geen onbezorgde zwangerschap. Zwanger-zijn was voor mij sowieso al stressvol, vanwege die miskramen, en nu had ik ook nog een high-risk zwangerschap. Het opbeurende “Het ziet er goed uit.... tot nu toe tenminste” van de gynaecologen na elke echo hielp ook niet echt. Al snel greep mijn moeder in. Hoewel zij in Groningen woonde en wij in Rotterdam, was ze 3 dagen per week of meer bij ons om te zorgen dat ik rustig bleef. Ze zorgde ervoor dat ik genoeg rust nam, gezond at en niet teveel piekerde. Ik weet zeker dat als mijn man en zij me niet koest hadden gehouden, ik véél eerder bevallen zou zijn en dat was niet goed geweest voor de kindjes. De zwangerschap verliep overigens vlekkeloos. De kinderen groeiden volgens het boekje, mijn bloeddruk bleef laag en ik was niet misselijk. Alleen maar héél moe, vooral op het laatst, toen ik door mijn bolle buik niet meer lekker kon liggen en 's nachts misschien 3 uur slaap pakte. Ook kwam ik rond de 25 e week in een rolstoel, omdat ik veel vocht vasthield in mijn benen, waardoor ik erg stijf werd. Wat heerlijk was, was dat ik desnoods midden in de nacht naar het ziekenhuis kon als ik me zorgen maakte. “Liever 10 keer voor niks gekomen dan 1 x weggebleven terwijl er wél iets aan de hand is,” zei de verpleging. Daardoor voelde ik me nooit een overbezorgde, hysterische moeder.
Toen ik 17 weken zwanger was, zat ik 50% arbeidsongeschikt thuis. Ik was 's ochtends al moe voordat ik naar m'n werk ging en hield de dag verder ook nauwelijks vol. Met 20 weken was ik 100% arbeidsongeschikt. Ik at me ongans en alle energie ging rechtstreeks naar de kindjes. Tot het eind van mijn zwangerschap bestond mijn lunch uit een flink bord pasta met ham en kaas. Ik was vrij klein en slank en dat ben ik de hele zwangerschap gebleven. Behalve dan die enorme toeter van voren en dikke knieen. Nu ik zwanger ben van ons 4 e kind ben ik overál veel ronder. Niet alles wat ik naar binnenschuif gaat naar deze baby, er blijven ook wat pondjes aan de rest van mijn lijf hangen.... Na de drielingzwangerschap waren de kilo's er onder invloed van de borstvoeding en de drukke eerste maanden al snel weer af trouwens.
Wij leefden erg toe naar de 28 e week. Dan zouden de kindjes kunnen overleven buiten de buik. Ze groeiden gelukkig als eenlingen en waren niet kleiner of lichter dan ‘gewone' baby's. Toen het zo ver was, hadden we weer een structurele echo en prompt bleek er vanalles aan de hand te zijn. Eén van de kinderen, die altijd al wat kleiner was geweest dan de anderen, liep nu toch relatief ver achter en was echt te licht. Ook verliep de voeding via de navelstreng niet zoals het hoorde. Na de echo werd ik meteen opgenomen en kreeg ik 2 CTG's per dag. Dat vond ik ontzettend. Ten eerste duurde het eindeloos lang voordat we alle hartjes hadden en vervolgens duurde het nog een uur voordat we genoeg ‘klop-materiaal' hadden om iets zinnigs te zeggen over de toestand van de kinderen. Na 3 dagen besloten de artsen dat het ‘in het belang van de moeder' beter was minder te CTG-en. Ook, omdat de kinderen het allemaal prachtig deden. Achteraf gezien waren die weken in het ziekenhuis een zegen. Ik mocht namelijk helemaal niks, alleen douchen en naar de wc. De rest van de tijd was het liggen en slapen. Dat was toch wat anders dan nog even snel trouwen en verhuizen, wat we de maand ervoor hadden gedaan!
Uiteindelijk bleek na 30.5 weken dat het zorgenkindje het moeilijk had. De arts-assistent die de bevalling samen met een gyn deed, had al eens eerder een drieling gehaald. Dat vond ik wel een geruststellende gedachte. Bovendien zei hij toen ik met trillende lipjes vroeg of de kinderen een kans maakten, vol vertrouwen: “Een hele goede”. Die spoed-keizersnee heb ik dus maar over me heen laten komen. Ik kan me er weinig meer van herinneren, alleen dat er heel veel mensen in de operatieruime waren en dat mijn man bij het 1 e kindje jubelde: “Wat is ze groot!” Ook dát was geruststellend.
De nacht die volgde op de bevalling was heerlijk. Ik had 3 levende kinderen en had me nog nooit zo ontspannen gevoeld (morfine!). Daarna werd het minder. Ik kon niet zo vaak bij de kinderen zijn als ik wilde. Ik wist ook niet wat ik allemaal wel en niet mocht. Pas toen de meisjes werden overgebracht naar de high care van een streekziekenhuis, ging ik los. De verpleging stimuleerde hulp en betrokkenheid van de ouders enorm. Ik zat van 's morgens 10.00 tot 's middags 16.00 bij de kinderen, zodat ik elk kind minstens 1 fles of borst kon geven en kon buidelen. 's Avonds ging mijn man en ‘deed' een kind dat die dag wat minder aandacht had gehad. Thuis kolfde ik en ik instrueerde de verpleging om elk kind evenveel borstvoeding te geven. Alleen in geval van schaarste ging ons zorgenkindje voor. Zij kreeg het trouwens nog zwaar te verduren. Naast opstartproblemen met haar bloed en longen kreeg ze ook nog een mysterieus virus. Haar zusjes deden het gelukkig heel goed. Het waren ‘abnormale' prematuurtjes; ze gedroegen zich als gewone baby's. Dat was fijn, want daardoor hadden we meer vertrouwen in de goede afloop van ons zorgenkind. Uiteindelijk kwamen alle kinderen vóór de uitgerekende datum thuis, de zwakste slechts 2 weken na haar zusjes.
Gisteren zijn de kinderen 2 jaar geworden. De oudste en de jongste zijn zo groot en sterk als ‘normale' kinderen en liggen wat taal- en sociale ontwikkeling betreft zelfs ver voor. Hun motorische ontwikkeling verloopt ook volledig volgens het boekje. Het middelste meisje, dat aanvankelijk het zorgenkindje was, loopt nog niet los omdat ze licht-spastisch is door het zuurstoftekort rond de geboorte. Ze heeft een duidelijke voorkeur voor links en vertrouwt haar rechterbeen (terecht) niet helemaal. Ze praat ook minder ingewikkeld dan de andere twee, maar als je haar vergelijkt met ándere twee-jarigen, ligt ze prachtig op schema. Ze is vrolijk, aanhankelijk, hard voor zichzelf en beresterk. Het is juist haar jongere zusje dat bij een simpele verkoudheid penicilline nodig heeft. Aanvankelijk ging ze haar zusjes wat uit de weg, maar ondertussen laat ze zich niet meer opzij schuiven en zoekt ze steeds meer contact. Ook haar zusjes zien haar ondertussen als ‘volwaardige' spelpartner en knuffelen haar net zo vaak als de ander.
Hoewel ze allemaal erg op elkaar lijken, zijn onze dochters qua karakter erg verschillend. De oudste is zorgzaam, zachtaardig en een kat-uit-de-boom-kijker. De middelste is een ‘jongensmeisje' dat graag dingen onderzoekt, klimt en ruige spelletjes doet. De jongste is een kattekopje en een knuffelkont, competitief en fantasievol. Alledrie de kinderen zijn erg aanhankelijk, ook naar elkaar. Met de hechting zit het, ondanks de couveuse, dus wel goed! Wij genieten erg van hen. Het eerste jaar was 't bikkelen en overleven, maar nu ze steeds meer zelf kunnen en goed praten, is elke dag een feestje! Als ze nou ook nog eens 's nachts alledrie doorsliepen, hadden we niks meer te wensen!
Groetjes van Karin
Datum: 8 Juni 2006