
December 2003. Ik voel me licht in mijn hoofd en lust geen koffie meer. Soms ben ik echt misselijk en eten gaat slecht: ik ben overduidelijk zwanger, maar er is niemand die dat serieus neemt. Sterker nog: ze denken dat ik me aanstel! Toch ben ik zenuwachtig als ik met mijn man naar het ziekenhuis toe ga voor de allereerste echo. Een termijnecho, waarbij gemeten wordt hoe groot het vruchtje is om te bepalen hoe lang ik precies zwanger ben. Maar voor mij was het meer om te kijken of alles wel goed is: ik had een antibioticakuur gehad toen ik nog niet wist dat ik zwanger was. En ook nog een griepprik… en ik had wat bloed verloren. Het zat vast niet goed, ik voelde me ook niet goed…
De echoscopiste zette het echoapparaat op mijn buik en begon de gel ermee te verdelen toen mijn man haar mond van verbazing open zag vallen. Van schrik trok ze het ding van mijn buik en vroeg: “Hebben jullie gezien wat ik zag?” Zelf had ik niks kunnen onderscheiden, ik was voor de allereerste keer zwanger en wist nog niet hoe een echo eruit zag. Mijn man vroeg: “zijn het er misschien twee?“
Het antwoord van de echoscopiste was: “Nee, het zijn er drie!”
We schoten in de lach. En in de stress. Dit kwam toch helemaal niet in onze families voor? Toen we een beetje waren bijgekomen van de eerste schok gingen we uitgebreid “kindjes” kijken. Ik werd er hebberig van en wilde ze gelijk alle drie. Embryoreductie is niet in onze gedachten geweest, vanaf het allereerste moment al niet. Ik bleek zwanger van 3 kindjes, verdeeld over twee placenta’s en twee vruchtzakken. Hoogstwaarschijnlijk een twee-eiïge drieling.
De puzzelstukjes vielen op hun plaats: twee placenta’s, dus ook twee keer een dosis HCG-hormonen. Vandaar dat ik mezelf ziek voelde! En vandaar dat ik zo moe was en lusteloos. Mijn man dacht met recht: “die stelt zich dus NIET aan.”
Zwanger zijn deed zeer. Eerst duurde de misselijkheid maar liefst tot in de 16e week, daarna allerlei pijntjes wegens klemzittende kinderen. Het voelde vaak als steek, zoals je ook wel eens hebt bij het sporten. Ook psychisch legde de zwangerschap een grote druk op mij, maar bij iedere echo bleek weer dat de kinderen het uitstekend deden. En ik deed het zelf ook echt wel goed, ik was immers een grote, sterke vrouw. Hoewel ik bij iedere echo die ik kreeg ontzettend benieuwd was of alles nog goed ging, was ik eigenlijk nooit verbaasd als er wederom werd gemeld dat alles oké was. Dat ze groeiden als éénlingen. Dat ze alle drie ongeveer even groot waren en dat allerlei functies goed functioneerden. Op den duur hield ik wel erg veel vocht vast en kon ik mijn schoenen niet meer aan wegens opgezwollen enkels en voeten. Gelukkig was het zomer en kon ik vaak op blote voeten lopen, of op sandalen.
Een week voor de bevalling steeg mijn bloeddruk. Om goed in de gaten gehouden te kunnen worden werd ik in het ziekenhuis opgenomen. Dat vond ik vreselijk en verlangde heftig terug naar mijn eigen huis. Het idee dat ik thuis wilde bevallen als ik zwanger geweest zou zijn van een éénling speelde hier ook in mee. Het duurde een dag of drie maar uiteindelijk mocht ik toch weer naar huis. Ik had een lichte vorm van zwangerschapsvergiftiging, maar de situatie was zeer stabiel dus ik mocht ook thuis op bed gaan liggen. Dat deed ik echter niet: 1 dag voor de bevalling heb ik nog in de tuin gewerkt, grote brandnetels weggetrokken.
7 juni 2004
Het is half 6 in de ochtend en de wekker van mijn man gaat af. Ons bed staat op klossen, ik ben 35 weken en 3 dagen zwanger volgens de berekeningen van de echoscopiste. Mijn man wil eigenlijk zijn bed nog niet uit, maar moet naar zijn werk. Ik moet plassen, dus ik rol uit bed en waggel naar de toekomstige kinderslaapkamer omdat daar, op een stuk of wat oude handdoeken, het campingtoiletje staat. Beneden is het enige echte toilet, maar zowel mijn moeder als mijn man staan erop dat ik niet meer ’s nachts naar beneden ga. Na het plassen sta ik op, in mijn buik beweegt één van mijn kinderen, ik hoor bloep, bloep! En er stroomt warm water lang mijn benen… Ik vlucht terug naar de handdoek waarop het toilet staat en roep mijn man dat hij niet naar zijn werk gaat vandaag.
Vruchtwater moet zoet ruiken, maar hoe ruikt zoet??? Mijn man belt onderhand het ziekenhuis. “Kom hierheen, maar maak geen onnodige haast, rustig aan” is het antwoord van het ziekenhuis. Prima. Ik voelde me ook prima, geen pijn, alleen nog wat slaperig van de nacht en ik ben een beetje zenuwachtig. Vandaag word ik moeder, en hoe!
Met de gynaecoloog was afgesproken dat ik ging proberen vaginaal te bevallen. Eigenlijk was hij tegen, maar ik zag erg op tegen een keizersnede en wat er op de natuurlijke manier ingekomen is, kan er toch ook op de natuurlijke manier weer uit? Daarbij, het ging hier om kleine kindjes van een pondje of vijf. Mijn moeder had zo’n 22 jaar geleden het leven geschonken aan mijn zus van 9 pond en 3 ons. Dus dit deed ik wel even, dacht ik. Aangekomen in het ziekenhuis was het net 6 uur geweest, en na een korte echo mocht ik lekker eventjes onder de douche. En daar kwam de eerste echte wee. En daar de volgende al. En ik moest ook naar het toilet. En nog een keer…
De gynaecoloog was gearriveerd en constateerde dat ik één centimeter ontsluiting had. Genoeg voor een hartslagmeter op het hoofdje van de onderste baby, Eva. Ook werd er een weeënmeter geplaatst. Het was geen pretje; van schrik vorderde de ontsluiting naar 2,5 cm. Toch nog wat positiefs terug voor die vervelende handelingen… Twee CTG-apparaten werden geïnstalleerd, zo konden alle drie de baby’s in de gaten worden gehouden. De tijd die resteerde tussen de weeën was kort, zo’n 3 à 4 minuten. Toch kreeg ik een infuus met weeën opwekkend middel in mijn arm.
Mijn lichaam was zich aan het ontdoen van alles; ik moest braken en poepen en ik kon niet verder staan of lopen dan twee meter naast mijn bed. Het was een nare ervaring; de po-stoel en het overgeven in de prullenbak. De weeën maakten plaats voor een constante pijn in mijn rug. Een houding vinden waarbij ik geen pijn had, was onmogelijk. En erger nog; de ontsluiting schoot niet op. Rond het middaguur was het nog maar 3,5 cm.
De gynaecoloog kwam even met me praten, want als dit zo doorging zou het nog wel eens 24 uur kunnen gaan duren voordat ik volledige ontsluiting zou hebben. En zou ik dan niet teveel uitgeput zijn om ze er allemaal uit te krijgen, of zou ik voor één of twee van de kinderen alsnog een keizersnede moeten ondergaan? Ik was bang en verdrietig toen hij me achterliet. Als over 3 uren de ontsluiting niet gevorderd was, moest het maar een keizersnede worden. Ik vond het onbegrijpelijk dat de weeën weg waren en ze kwamen ook niet meer terug.
3 uren later werd er inderdaad geconstateerd dat de ontsluiting bleef hangen op 3,5 centimeter en dat ik klaargemaakt zou worden voor de O.K. Vanaf toen ging alles heel snel, want er was wonder boven wonder gelijk plek op de operatiekamer. Ik kreeg een soort schort aan, mijn man een hele overall en een kapje op zijn neus. In de O.K. was het een drukte van belang, maar ik lette er niet op. De operatietafel was erg smal, toen de verpleging mij erop wilde leggen heb ik ze nog veel succes gewenst. De ruggenprik die volgde viel mee. Een dame meldde me dat ze mijn schaamhaar eraf zou scheren. “Kan je dat niet liever epileren?” vroeg ik; “Ik voel nu toch niets meer.” Ze glimlachte flauwtjes en ik bedacht me dat ik er wegens die immense buik geen idee van had hoe mijn bikinilijn er eigenlijk uitzag.
Nadat de ruggenprik was ingewerkt kon de bevalling beginnen. De baby ‘s werden operatief uit mijn buik verwijderd. De eerste gil was van Eva, 2240 gram zwaar, de tweede, Wies, bleek tóch in een eigen vlies te zitten welke ze nooit op de echoos hebben gezien. Tot op die dag dacht de gynaecoloog dat de dametjes samen één vruchtzak deelden. Wiesje was een beetje kleiner dan haar zus; 2170 gram. Toen volgde Teun. Een aanmerkelijk hardere schreeuw die ook lager van toon was. 2690 gram was hij, en tot op de dag van vandaag is hij zwaarder dan zijn zussen.
De kinderen waren gezond, zo werd me gemeld. Daar twijfelde ik van tevoren eigenlijk al niet aan hoor. Maar zelf was ik ziek. Wéér overgeven, kreeg nog een injectie voor de misselijkheid, en ik trilde. Tenminste, mijn bovenlijf. Mijn man ging met de kinderen mee en ik ging naar de uitslaapkamer. Eigenlijk wist ik niet wat ik daar deed, want van slapen was absoluut geen sprake! Maar later kwam mijn man binnen met polaroids en stelde de kinderen aan me voor. Hij glunderde: “ze hebben alle drie een koppie met zwart haar!” Later werd mijn bed naar de kinderafdeling gereden en mocht ik ze ook zien en vasthouden. Tot mijn grote verbazing werden de kinderen behandeld alsof ze prematuur waren. Teuntje kreeg wat extra zuurstof, die had wat vruchtwater in zijn longetjes, maar dat zou vanzelf wel overgaan. Verder hadden ze alle drie allerlei hartslagmeters en infuusjes en toestanden. Na een zwangerschap van meer dan 35 weken had ik dat toch eigenlijk niet meer verwacht.
De eerste nacht lag ik nog niet op zaal, maar in een verloskamer. Ik voelde me hartstikke ziek; er zat nog steeds een infuus in mijn arm, met nog steeds baarmoederverkleinend middel, om alles maar zo snel mogelijk in normale proporties terug te doen slinken. Verder kreeg ik vocht via het infuus, want ik kon nog steeds niks binnenhouden. Pijn had ik ook, maar daarvoor kreeg ik zo nu en dan iets. Het bloedverlies was enorm geweest en nog steeds schrok de verpleging ervan (waarna veelal het bed weer eens werd verschoond). Het was allemaal niet gegaan zoals ik wilde en ik had me machteloos gevoeld. De kraamtranen kwamen nu al, maar dat was niet van geluk. De polaroid-fotootjes stonden op het nachtkastje en ik keek er veel naar. Ik was moeder geworden… en hoe…
De periode in het ziekenhuis zou ik het eerste willen wissen als ik de kans zou krijgen om iets uit mijn geheugen te deleten. Op de zaal had ik dan nog leuke en lieve verpleegsters, maar bij de kinderen op de couveuseafdeling had ik werkelijk niets te vertellen. In mijn ogen was er maar één verpleegster daar leuk; een gezellige meid uit Ter Aar die zelf een kindje verwachtte. Ze liep ’s nachts polonaise met Teun, zei ze; “want dat is toch zo’n feest-beest!” De kinderen deden het uiteraard prima. Geen rare dingen, ze waren alleen nog wat zwakjes om de dagelijkse hoeveelheid melk werkelijk zelf te kunnen drinken, maar na 18 dagen kreeg ik ze alle drie tegelijk mee naar huis.
Thuiskomen was heerlijk, maar dan??? Ik herinner me hoe mijn schoonouders ons hadden opgewacht, het huis was versierd en tsja… We zetten de babietjes in hun maxi-cosi’s op de bank en gingen er eens naar kijken. Wat nu? We hadden tot mijn grote woede geen recht meer op kraamzorg. Natuurlijk hadden we in het ziekenhuis het één en ander geleerd over babyverzorging, maar hoe moest dat nu thuis en met je eigen spullen. En met een operatie achter de rug: ik mocht nog ruim 3 weken niet tillen. Met veel hulp van de oma’s en opa’s, en met hulp van een dame die zich spontaan aandiende (Els) en dan nog de hulp van vrienden en de hulp van de kraamvizite hebben we het gered. En behalve Els kwam er nóg meer hulp uit een hoek waarvan je het niet verwacht: het consultatiebureau. Ze kwamen bij mij aan huis meten en wegen, prikken, voeden, badderen en desnoods oppassen terwijl ik dan boodschappen deed of een paar uur slaap in kon halen. Ze overlaadden me met informatie: welke voeding en hoeveel? En als ze nou ziek zijn? En als ze het uitspugen? Achteraf zou ik niet weten wat ik zonder de wijkverpleegsters had gemoeten.
Het is een behoorlijk zware taak om een drieling te hebben, maar het is absoluut te doen. Ik zou het ook zó overdoen als het zou moeten, ik vind het moederschap prachtig en mijn kinderen vind ik ook 3 lieve kleine toppertjes. Hoe ouder ze worden, hoe minder ik ze ook ga zien als drie-éénheid. Ik heb gewoon 3 kinderen, net als moeders die ze keurig 1 voor 1 hebben gehad.
Ze gaan 2 dagen per week naar het kinderdagverblijf en 1 dag per week naar mijn moeder. Zodoende kan ik 3 dagen per week werken en dat bevalt me prima. Eerlijk gezegd kom ik uitrusten op mijn werk… dus ik ben blij dat het er is! Dit is dan ook gelijk mijn tip naar andere (aanstaande) drielingmoeders: zorg ervoor dat je jezelf niet uit het oog verliest. Het maakt niet uit of je een baan hebt, een bruisend uitgaansleven, vrijwilligerswerk of tijdrovende hobby. Als je zo nu en dan maar even afstand kan nemen van de kinderen, zodat je wat rust krijgt en beter de dagelijkse beslommeringen aankan en problemen kan relativeren. Echt doen hoor!
Sonja.
